25-2-2026

Samen werken aan een schonere Maas
Binnen de Schone Maaswaterketen werken waterschappen, drinkwaterbedrijven, RIWA-Maas en Rijkswaterstaat samen aan een schonere Maas. De rivier is van grote betekenis: ze is een bron voor drinkwater en een belangrijk leefgebied voor planten en dieren. Om beter te begrijpen wat er precies in het water gebeurt, hebben we in 2024 voor het eerst bioassays ingezet: dit is een techniek om de waterkwaliteit te analyseren.

Wat bioassays ons laten zien
Bioassays onderzoeken niet welke afzonderlijke stoffen er in water zitten, maar wat het water als geheel doet met levende cellen. Met andere woorden: ze meten of een watermonster een biologisch effect heeft.

De test laat dus niet zien wélke stoffen daarvoor verantwoordelijk zijn. Wel maakt hij duidelijk of het totale mengsel van stoffen in het water iets in cellen in gang zet.

Daarmee vormen bioassays een goede aanvulling op chemische analyses. Chemische metingen brengen precies in kaart welke stoffen aanwezig zijn en in welke hoeveelheid. Bioassays laten zien wat al die stoffen samen doen.

Door beide methoden te combineren, ontstaat een completer beeld van de waterkwaliteit. Zo wordt sneller duidelijk op welke plekken het zinvol is om verder te onderzoeken welke stoffen precies aanwezig zijn.

Waar hebben we gemeten?
In 2024 namen we op ruim dertig locaties monsters: in beken en kanalen, op verschillende punten langs de Maas, in afvalwater van rioolwaterzuiveringen (RWZI’s) en bij de drinkwaterinnamepunten. Per locatie is gekeken naar zes biologische effecten, van algemene toxiciteit tot verstoring van hormonen en activatie van receptoren die betrokken zijn bij de afbraak van lichaamsvreemde stoffen.

De eerste vraag is: is het water direct schadelijk voor cellen of bacteriën? Uit de metingen blijkt van niet. Op alle onderzochte locaties blijven de gemeten waarden onder de vastgestelde risicogrenzen.

Dat betekent dat het water, als het gaat om deze effecten, aan de basiskwaliteit voldoet.

Waar zien we verschillen?
Op sommige locaties zien we duidelijk een verschil in effecten. Zo is de verstoring van de vrouwelijke hormoonhuishouding (oestrogene activiteit) het hoogst in RWZI‑afvalwater. Dat is logisch: deze activiteit wordt met name veroorzaakt door hormoonresten uit anticonceptiemiddelen, die via huishoudens in het riool terechtkomen. In het oppervlaktewater meten we veel minder respons in de levende cellen; slechts op enkele plekken is dit hoger dan wenselijk vanuit ecologisch- of drinkwaterperspectief. Verdunning speelt hierbij een sleutelrol: in grotere wateren worden hormoonresten sterk verdund, waardoor de cellen van de bioassay minder sterk reageren.

Bij de metingen naar verstoring van mannelijke hormonen — ook wel antiandrogene activiteit genoemd — zien we een ander patroon. Op sommige plekken zijn de effecten duidelijk sterker dan op andere locaties. Vooral enkele beken, zoals de Boven-Mark, vallen op. Antiandrogene activiteit betekent dat stoffen in het water de werking van mannelijke hormonen kunnen remmen. Dat kan gevolgen hebben voor dieren die in het water leven.

Een mogelijke verklaring is dat agrarische activiteiten in de omgeving invloed hebben. Bepaalde bestrijdingsmiddelen die in de landbouw worden gebruikt, kunnen in het oppervlaktewater terechtkomen en dit soort effecten veroorzaken. Om dat beter te begrijpen, is het zinvol om deze biologische metingen te vergelijken met chemische analyses. Daarmee kan worden onderzocht welke stoffen precies aanwezig zijn.

Stoffenmengsels triggeren activiteit
Vooral één soort test valt op: de meting die laat zien of cellen reageren op een brede groep lichaamsvreemde stoffen, de zogenoemde PXR-receptor. Op bijna alle locaties ligt die activiteit boven de risicogrens. Vooral het effluent van rioolwaterzuiveringsinstallaties springt eruit.

Dat is geen direct bewijs van gevaar, maar wel een duidelijk waarschuwingssignaal. Het watermengsel is biologisch actief en verdient daarom nader onderzoek.

Welke stoffen precies verantwoordelijk zijn, is lastig vast te stellen. Deze test reageert namelijk op veel verschillende stoffen tegelijk. De verhoogde activiteit laat vooral zien hoe complex het mengsel in het water is.

Een andere test (AhR) laat een vergelijkbaar beeld zien, al zijn de verschillen tussen locaties daar minder groot.

Inzichten uit de bioassays
De resultaten laten zien dat bioassays helpen om plekken op te sporen waar het water biologisch sterker reageert dan je op basis van alleen chemische metingen zou verwachten. Met andere woorden: soms doen mengsels van stoffen méér in cellen dan je zou denken op grond van de stoffen die afzonderlijk zijn gemeten.

Sommige effecten zijn goed te verklaren. Zo zijn hormoonverstorende stoffen duidelijk terug te zien bij rioolwaterzuiveringsinstallaties. Andere patronen - zoals verhoogde anti-androgene activiteit in bepaalde beken - zijn minder eenvoudig te duiden en vragen om extra onderzoek.

Bioassays helpen om daarin gerichte keuzes te maken. Ze laten zien waar het zinvol is om meer onderzoek te doen naar welke stoffen precies verantwoordelijk zijn.

De drie radardiagrammen in de figuur illustreren het verschil in ‘effectprofiel’ tussen drie voorbeeldlocaties in één oogopslag. Het innamepunt Bergsche Maas toont een profiel met lage waarden. De Boven-Mark laat vooral een hogere anti‑androgene activiteit zien vergeleken met andere locaties. RWZI Eindhoven, representatief voor stedelijk effluent, toont relatief hoge waarden bij vrouwelijke hormoonverstorende activiteit, PXR‑activering en AhR-activering.

Bioassays

Figuur 1 - Radardiagrammen die met een kleurcode per bioassay het risico weergeven voor de ecologische toestand per locatie.  Blauw = lage kans; groen = geringe kans; geel = matige kans; oranje = verhoogde kans; rood =  zeer hoge kans

Hoe nu verder?
In 2025 zijn de metingen voortgezet zodat we een eerste inzicht kunnen krijgen in trends en seizoensverschillen. Bij locaties die consequent hoge waarden laten zien, is het zinvol om effectgerichte analyse (EDA) in te zetten. Daarmee kunnen de daadwerkelijke stoffen achter de gemeten effecten worden opgespoord, wat helpt om gerichte maatregelen te nemen of de bron aan te pakken.

Bioassays maken zichtbaar wat stoffen samen doen in het water. In plaats van alleen te kijken welke stoffen aanwezig zijn, laten ze zien welk effect het totale mengsel heeft op levende cellen.

Door bioassays te combineren met chemische analyses ontstaat een completer beeld van de waterkwaliteit. Zo wordt duidelijker welke locaties extra aandacht of nader onderzoek verdienen.