
De Schone Maaswaterketen (SMWK) ontwikkelde samen met Programmabureau Stroomgebied Maas en partners een nieuwe aanpak om indirecte lozingen op te sporen: de Maasmethodiek. Wat houdt deze methode precies in?
In de Maas komen veel stoffen terecht die schadelijk zijn voor mens, dier en milieu. Een deel daarvan bestaat uit zogenoemde indirecte lozingen: lozingen van bedrijven of huishoudens op het riool. Het is vaak onduidelijk waar deze stoffen vandaan komen.
In de Maasregio zijn verschillende partijen het afgelopen jaar een samenwerking begonnen om deze problematiek aan te pakken. De waterschappen, provincies, gemeenten, omgevingsdiensten en drinkwaterbedrijven werken samen in een consortium, geleid door Programmabureau Stroomgebied Maas en de Schone Maaswaterketen. Het consortium heeft als doel om in beeld te brengen welke schadelijke stoffen via indirecte lozingen in het Maasstroomgebied terechtkomen.
Pilots bij rioolwaterzuiveringen
Om indirecte lozingen beter te begrijpen, heeft het consortium twee pilots gedaan, bij de rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) van Tilburg en Roermond (de laatste is nog bezig). Hier komt al het afvalwater uit een gebied samen, inclusief schadelijke stoffen uit indirecte lozingen, om het vervolgens te zuiveren en terug te brengen naar het watersysteem.
Uit deze pilots kwamen verschillende lessen naar voren. Op basis daarvan ontwikkelden de partners een stappenplan: de Maasmethodiek. “Deze methode zoekt vanaf de RWZI terug in het rioolstelsel om te achterhalen waar de schadelijke stoffen vandaan kunnen komen,” vertelt Loek de Bonth van LoyalBlue en projectleider van de pilots.
Stappenplan Maasmethodiek
Deze aanpak om indirecte lozingen op te sporen bestaat uit de volgende stappen:
Stap 0. Samenstellen projectteam
Eerst wordt een projectteam samengesteld: een team met professionals vanuit verschillende organisaties, aangevuld met specialisten, waarbij de aanwezigheid van kennis van het gebied én de riolering essentieel is.
Stap 1. Informatiepositie bepalen
Het projectteam stelt vast welke meetgegevens van schadelijke stoffen al beschikbaar zijn. Welke metingen zijn al gedaan, welke stoffen worden hier aangetroffen? Welke bedrijven bevinden zich in het gebied en wat is er bekend over de stoffen die zij lozen? Hiervoor gebruikt de SMWK onder andere de ’hotspottool potentiële industriële lozingen’. Hiermee kan snel een eerste visueel overzicht verkregen worden van bedrijven die mogelijk schadelijke stoffen lozen op het riool. Ook worden bijvoorbeeld vergunningen van lozingen op de riolering gebruikt.
Stap 2. Opstellen monitoringsplan
In dit plan staat welke stoffen gemeten gaan worden, via welke meetmethoden en op welke strategische plekken in de riolering. Daarnaast vraagt dit ook altijd om een check op praktische haalbaarheid: kunnen we daadwerkelijk op deze plekken in de riolering meten? En een check op (kosten)efficiëntie: meten we de stoffen waarvan we verwachten dat deze ook écht tot een potentiële bron zijn te herleiden?
Stap 3. Uitvoering monitoringsplan
De metingen worden op strategische plekken in de riolering uitgevoerd. Idealiter vinden metingen op meerdere momenten in de tijd plaats, om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de dynamiek in de riolering (de variatie in waterkwaliteit en -kwantiteit).

De Maasmethodiek in 6 stappen. (Illustratie door ygenwys.com)
Stap 4. Analyse en duiding meetresultaten
Het projectteam gaat letterlijk met elkaar om tafel om conclusies uit de meetresultaten te trekken. Vervolgens bepaalt het team gezamenlijk welke vervolgstappen mogelijk en wenselijk zijn. Bijvoorbeeld om voor een bepaalde stof(groep) aanvullende metingen in een specifiek gebied uit te voeren.
Stap 5. Rapportage en vervolg
Het projectteam legt de resultaten en vervolgstappen vast in een rapportage. Ook worden de belangrijkste lessen vastgelegd om de Maasmethodiek verder te ontwikkelen. Zijn er aanvullende metingen nodig? Dan start de cyclus opnieuw bij stap 2.
Stap 6. Maatregelen
In deze stap nemen betrokken partijen maatregelen om de vervuiling via het riool aan te pakken. Die kunnen onder andere bestaan uit: maatregelen en/of controles bij de (potentiële) lozers, bewustwordingscampagnes om het gebruik van bepaalde stoffen tegen te gaan, het landelijke productenbeleid beïnvloeden of aanvullend zuiveren op de RWZI.
Samen zoeken naar de bron
Dit stappenplan duurt gemiddeld één tot anderhalf jaar om te doorlopen, vertelt Loek de Bonth. Het kost tijd, omdat veel partijen betrokken zijn. Gemeenten hebben kennis van het rioolstelsel, waterschappen van de zuiveringsinstallatie en omgevingsdiensten van bedrijven en vergunningen. Daar komt ook de samenwerking met laboratoria nog bij. “Iedere organisatie heeft een stukje van de puzzel,” zegt hij. “Door die kennis bij elkaar te brengen, kun je uiteindelijk gericht zoeken naar de bron van schadelijke stoffen.”
De metingen (stap 3) gebeuren vaak in meerdere rondes: eerst op hoofdlijnen, daarna steeds gerichter. Eerst vinden metingen plaats op strategische punten waar afvalwater uit grote delen van een stad of gebied samenkomt. Als daar een opvallende stof wordt gevonden, wordt daar verder op ingezoomd. “Dan ga je bijvoorbeeld op wijk- of bedrijventerreinniveau meten,” legt De Bonth uit. “Zo probeer je stap voor stap dichter bij de bron te komen.”
Andere stroomgebieden
De bedoeling is om de methode de komende tijd ook op andere locaties binnen het Maasstroomgebied toe te passen. De Bonth: “We hopen dat de aanpak ook als inspiratie zal dienen voor andere stroomgebieden. In plaats van dat we blijven zeggen dat die indirecte lozingen ingewikkeld zijn en naar elkaar blijven kijken, kunnen we nu dus met een aantal relatief eenvoudige stappen meer inzicht krijgen en uiteindelijk het water schoner maken.”
Meer details over de Maasmethodiek zijn te lezen in het rapport Methodiekrapportage – Pilots Indirecte Lozingen, met een evaluatie van de pilots en aanbevelingen voor toepassing van de methode.
Tekst: Thessa Lageman, tekstbureau Onder Woorden.
Voorbeeld schadelijke stoffen: vlooienbandje
Imidacloprid is een voorbeeld van een stof die via indirecte lozingen in het water terecht kan komen en regelmatig in ons afvalwater wordt aangetroffen. De insecticide komt onder andere van vlooienbandjes en andere anti-vlooienmiddelen voor huisdieren en is schadelijk voor het waterleven. Uit onderzoek van de Universiteit Utrecht blijkt dat op plekken waar de concentratie in oppervlaktewater te hoog is gemiddeld drie keer minder waterdiertjes, zoals libellen, slakjes en schaaldiertjes, voorkomen. Dat heeft gevolgen voor het hele ecosysteem in en rond het water. In zulke gevallen kan een deel van de oplossing bijvoorbeeld liggen in betere voorlichting aan consumenten of aanpassing van producten waarin de stof wordt gebruikt.