
Hoe spoor je PFAS, metalen of andere verontreinigingen op in rioolwater? Adviesbureau IMD onderzocht voor de Schone Maaswaterketen de methode van passieve monstername in Limburg. Simon Holsteijn (IMD) en André Bannink (RIWA-Maas) lichten de resultaten toe.
De Schone Maaswaterketen monitort de waterkwaliteit van de Maas met een uitgebreid meetsysteem. Bij deze metingen nemen de samenwerkingspartners regelmatig monsters uit het water. Dit zijn echter momentopnames, waardoor bepaalde schadelijke stoffen gemist kunnen worden.
Geen momentopname
Er bestaan ook andere bemonsteringsmethoden, zoals passieve monstername (passive sampling). In dat geval hangt er een passieve monsternamecel gedurende een bepaalde tijd in het water. “Zo krijg je een gemiddelde waarde, over een langere periode” vertelt Simon Holsteijn, projectleider bij IMD. “Je mist daardoor minder en de kosten zijn ook lager.”
De Schone Maaswaterketen (SMWK) wilde graag weten of deze methode ook toe te passen is in het riool om op te sporen waar stoffen geloosd worden. Daarnaast wilde het SMWK-netwerk ervaring opdoen met deze methode.
Speciaal voor het riool
IMD onderzocht de methode – specifiek de techniek Diffusive Gradients in Thin Films (DGT) – in het riool van Limburg. “Deze techniek bestond al, maar is ontwikkeld voor oppervlaktewater,” legt Holsteijn uit. “Daarin zit niet zoveel vuil als in het riool. De waterkwaliteit meten in het riool is ingewikkelder dan bijvoorbeeld in een rivier of meer.”
Het adviesbureau ontwikkelde daarom een behuizing die geschikt is voor een vuile omgeving: een plastic omhulsel ter grootte van een drinkfles. In de behuizing zitten meetschijfjes met gel (pistons), waaraan de stoffen zich hechten die gezocht . Het experiment richtte zich op bepaalde soorten PFAS op 9 locaties in het afvanggebied van rwzi Venlo en op verschillende metalen op 3 locaties in het afvangebied van rwzi Weert.

PFAS en metalen
Na 4 weken haalden de onderzoekers de monsters uit het riool om ze in het laboratorium te analyseren. De metingen laten zien dat de methode ook in het riool werkt. “Je kunt er de hotspots van schadelijke stoffen mee opsporen,” plaatsen waar schadelijke stoffen veel voorkomen, zegt André Bannink. Hij is senior beleidsadviseur bij vereniging van drinkwaterbedrijven RIWA-Maas, één van de 11 partners van de Schone Maaswaterketen. “De resultaten geven richting aan in welke delen van het rioleringsgebied van rwzi Venlo en rwzi Weert PFAS en metalen vooral zitten. Daar kan je mee verder.” Passieve monstername kan daarmee een belangrijke stap zijn in het opsporen van bronnen van schadelijke stoffen.
De methode laat hotspots zien, maar niet de exacte concentraties van stoffen of de totale hoeveelheid. Daarvoor zijn losse steekmonsters nodig, of moet de techniek verder aangescherpt worden.
Bronnen van vervuiling
De Schone Maaswaterketen is blij met het resultaat. Bannink: “De proef is geslaagd en we kunnen er veel van leren. Nu moeten we verder gaan. De bronnen van de vervuiling opsporen en hetzelfde onderzoek gaan doen in andere rioolsystemen.” Als vervolgstappen gaan we deze monsternamemethode ook in andere pilots toe passen en breiden we ons kennisnetwerk uit.
Lees het rapport: Analyse DGT-meting PFAS en metalen in Venlo en Weert.